© Arie van Genderen, december 2016


(dit artikel is geschreven voor Memokrant in september 1985)


Deze zomer is het twintig jaar geleden dat provo de mensen deed lachen, huilen en in ieder geval huiveren. Zou de bestaande orde op de helling gaan? Arie van Genderen maakte een groot deel van de provotijd mee, groeide langzaam maar zeker in de beweging. Na de kantoordag werd het grijze pak op de wc verwisseld voor het spijkerpak. Voor MeMOkrant blikt hij terug.


Geheugen

Dat de mens behept is met een zeer selectief werkend geheugen werd mij weer eens duidelijk toen ik het boek ‘Provo, de geschiedenis van de provotarische beweging 1965- 1967’ van Roel van Duyn aan het lezen was. De laatste jaren heb ik namelijk, steeds als de provo-tijd ter sprake kwam, verteld dat ik daar part noch deel aan heb gehad omdat ik toen in Australië woonde. Maar een grondige oppoetsbeurt van de grijze cellen leverde een heel ander beeld op.


Mei 1965

Terwijl de eerste Provo’s aankondigen dat er een tijdschrift gaat komen en de contacten met de antirook-magiër Robert-jasper Grootveld gelegd worden, zit ik zenuwachtig op m’n zolderkamertje, vierhoog-achter in De Pijp, te blokken

voor mijn eindexamen van de Amsterdamse Grafische School.

Van happenings en al dat soort dingen merkte je in Amsterdam-Zuid nooit iets, temeer daar ik de weekends meestal bij mijn ouders in Hoogvliet, of bij een vriend in Den Haag doorbracht.

In juni, terwijl de eerste ‘Provokaties’ van de stencilmachine komen, krijg ik, ergens in een foeilelijk en inmiddels gesloopt gebouw, mijn einddiploma uitgereikt. En een week of wat daarna vertrek ik, samen met mijn Haagse vriendje Peter, richting Joegoslavië en Griekenland. Liftend uiteraard en ieder met niet meer dan ongeveer honderd gulden op zak.

 Een onvergetelijke reis, waarbij we veel geld verdienen met het maken van zeer oubollige straattekeningen (Hollandse landschappen met molens en tulpen) en het zingen van Hollandse ‘folksongs’. En toen de nood op een gegeven moment erg hoog was bracht de verkoop van en halve liter bloed weer genoeg op om een week verder te komen.

In die periode zagen we er uit als echte Beatniks en zo voelden wij ons ook. Door ons uiterlijk provoceerden we, maar of we nu ook echte provo’s waren?


Eind augustus 1965

De eerste hete provozomer loopt op z’n einde. Het geweld rond het Lieverdje is al flink geëscaleerd en er wordt stevig aan de stoelpoten van burgemeester van Hall geknaagd, al beseft hij dat zelf nog niet.

Onze reis zit er op en ik zal mij moeten gaan bezinnen op de toekomst. Bij pa in de zaak zie ik, tot zijn grote verdriet helemaal niet zitten en we (ik?) besluiten dat ik eerst maar eens een baantje buiten de deur ga zoeken.

Ik dus solliciteren, maar steeds komt de vraag: moet u nog in militaire dienst? Ik ben dan 19 jaar jong en enkele jaren daarvoor goedgekeurd voor militaire dienst. Een telefoontje naar ‘Den Haag’ leverde de verbaasde reactie op dat ik mijn oproep al weken geleden moest hebben ont-vangen en dat ik de komende maandag (ik belde op vrijdag) me moest melden bij de L.O.K.S. in Breda.

Pang, daar zat ik. ‘Ik ga niet’, was mijn eerste reactie. Maar wat dan? Dienstweigeren? Dat was in die tijd nog een vrij hachelijke onderneming en er waren nauwelijks mensen of groepen die je daarbij konden steunen.

Kort en goed, maandagochtend om 9 uur stond ik voor de poort, met een tasje kleren. Binnen een dag was mijn voor die tijd lange haar al gemilli-meterd en ondanks alle protesten moest mijn

zorgvuldig gekweekte sikje er ook aan geloven. Als ik dat terug wilde moest ik maar een verzoek aan de commandant richten.

Tien dagen later had ik mijn eerste echte ‘douw’ te pakken en nog eens vier dagen later werd ik uit de onderofficiersopleiding gezet en kon ik de rest van de tijd keukencorvee doen. Zelfs de allerlaagste rang, namelijk soldaat 1e klas, zat er daarna niet meer in.

Ondertussen provoceren de provo’s lustig verder en ‘het kwaad’ begint zich te verspreiden door het land en naast Het Lieverdje ontdekt provo ook de Van Heuts-monumenten op diverse plaatsen in het land. En burgemeester van Hall van Amsterdam wordt steeds zenuwachtiger en wordt zelfs gedwongen in de gemeenteraad een verklaring af te leggen over ‘het optreden tegen de provo’s’ (28 september 1965).

Kort daarna word ik overgeplaatst van de L.O.K.S. naar de (toen slapende) vliegbasis Gilze-Rijen.


Winter 1965-66

Van september 1965 tot maart 1966 wordt het optreden van de politie steeds harder. In oktober worden bij één happening maar liefst 34 arrestanten geteld. Op de dam worden borden met leuzen tegen het huwelijk van Beatrix en Claus in beslag genomen.


De eerste rookbommetjes ontploffen. Het Provo-Oranje-komité wordt opgericht en kondigt aan geld te gaan inzamelen voor het anti-geschenk aan Beatrix en Claus op hun huwelijksdag.

Ondertussen leer ik in het Protestants Militair Centrum, waar ik achter de bar werkte, een drankje drinken dat ik tot op dat moment altijd aanduidde met de term ‘barbaren-water’. Bier dus.

Het provotariaat en zo….

Het gebeuren in Amsterdam (en andere plaatsen) ontging mij grotendeels. Mijn enige informatiebron was in die tijd de krant. En als ik nu in het boek de verzameling krantencommentaren eens doorlees, dan moet ik in die tijd een behoorlijk overtrokken en eenzijdig beeld van de provo’s gehad hebben. Ik vond het nogal ver gaan, de essentie van het gebeuren ontging mij, ontdekte ik later. Mijn provocatie bestond uit het begeleiden van soldaten door het doolhof van dominees, aalmoezeniers, artsen en psychiaters om zo via een S5 voortijdig uit de dienst te geraken. Ik werd daar steeds bedrevener in, al is mijn eigen poging jammerlijk mislukt.


Zomer en herfst 1966

Wat mijzelf aangaat een rustige zomer. Maar in Amsterdam gaat het er stevig aan toe. De Aktie-groep Vietnam begint zich te roeren en in juni/juli woedt de ene veldslag na de andere. Provo’s, arbeiders en het ‘onbewuste proletariaat’ bestormen de gebouwen van De Telegraaf. Het gaat er zo hard aan toe – er valt zelfs een dode - dat hoofdcommissaris Van der Molen ontslagen wordt en Van Hall wordt steeds zenuwachtiger.


Bij mijn ouders thuis gaat het trouwens ook niet meer zo lekker. De zaak van mijn vader draait slecht en oude emigratieplannen worden weer uit de kast gehaald. Het lijkt me allemaal wel spannend en ik stem er mee in dat de procedure gestart wordt. Een niet onbelangrijke bijkomstigheid was dat ik op die manier vervroegd uit de dienst zou kunnen komen (na 16 i.p.v. 24 maanden).

Dat najaar is er ook een reünie van klasgenoten van de Grafische School en worden oude vriendschappen weer wat opgepoetst. Dat najaar en die winter ga ik weer af en toe een weekend naar Amsterdam. Van een veilige afstand bekijk ik de happenings, er angstvallig voor wakend dat ik geen klappen oploop. Op een koude winteravond ontmoet ik in Lucky Star, een beruchte poel des verderfs, Wilma en wordt voor het eerst in mijn leven smoorverliefd. We zouden de kerstdagen samen doorbrengen, maar vanwege een geval van ‘insubordinatie’ breng ik beide kerstdagen en nog twaalf andere in de cel door.


Begin 1967

De provolutie begint zich nu echt door Nederland te verspreiden. In Amsterdam komt het tot vechtpartijen tussen CS-jeugd (jongeren die in het Centraal Station rondhangen) en provo’s. Zo’n 200 matrozen trekken door Amsterdam op zoek naar provo’s en nozems om ze mores te leren.


Provo verspreidt ‘De Teleraaf’ een pseudo Telegraaf; in een oplaag van 20.000 exemplaren. De ene demonstratie volgt op de andere en Van Hall cs. krijgen het zwaar te verduren. De emigratie-plannen zijn inmiddels in het stadium gekomen dat we alleen nog wat formulieren moeten tekenen om de zaak af te ronden.

Wilma zag ik helaas niet vaak (wisselende diensten en zo), maar dat verhevigde de gevoelens alleen maar. Ik begon wel ernstig te twijfelen of ik nog wel weg moest gaan. Wel tekende ik de formulieren en in maart kregen we te horen dat we 2 mei konden vertrekken met de ‘Achillo Lauro’. Zo geschiedde. Een zenuwachtige periode brak aan. Maar om een lang verhaal kort te houden: op 2 mei stonden wij (pa, ma en de zeven kinderen), omgeven door huilende familieleden en kennissen bij de loopplank op weg naar ons ‘nieuwe vaderland’. Wilma zou nakomen als ze klaar was met haar opleiding.


Een paar dagen nadat we door het Suezkanaal gevaren zijn breekt de zesdaagse oorlog tussen Israel en Egype uit en alle schepen die op dat moment in het Suezkanaal zitten komen de eerste jaren niet verder.

Op 10 mei draagt ministerpresident De Jong burgemeester Van Hall voor voor een eervol ontslag. Op 15 mei heft Provo zichzelf op in het Amsterdamse Vondelpark en kondigt tegelijkertijd nieuwe activiteiten aan. '


Mei 1967 tot iuni 1969

Australië valt mij van de eerste dag af tegen. Wat ik er van verwacht had weet ik niet meer. Misschien wel niets, maar dan zou het niet zo tegen gevallen zijn.

En misschien is op mijn persoon de uitspraak van een beroemd schrijver wel heel erg van toepassing: ‘Het gaat niet om het aankomen, maar om de reis zelf’.

Na een jaar ‘gastarbeidersbaantjes’ baal ik stevig en nog een half jaar later houd ik het voor gezien en besteed het laatste half jaar uitsluitend aan het verdienen van het geld voor de terugreis.

Eind juni 1969 stond ik verdwaasd op het Centraal Station in Amsterdam met niets anders dan twee koffers met kleren en wat nostalgische rommel. Gelukkig had ik nog wat contacten onderhouden en twee vrienden vingen mij op. Wilma bleek inmiddels verloofd te zijn met een ander.


Twee schizofrene jaren

Een van de vrienden die mij afhaalden, Frank, had al wat zaakjes voor mij geregeld. Ik kon in het bedrijf waar hij werkte een zieke collega tijdelijk vervangen en bij de zaak was ook nog een huurkamer beschikbaar. Het leek een flitsende start van mijn carrière: assistent van de assistent bedrijfsleider. Een leuke springplank naar een echte vaste baan. Die vond ik binnen 3 maanden. Ik werd ‘commercieel medewerker’ bij een middelgrote drukkerij.

Home page Page 10